28 juli

Schriftlezingen: Prediker 2: 1-11 en Lucas 12: 13-21

Gemeente!

Geduvel rond een erfenis. Daarmee begint de gelijkenis van vandaag. Een herkenbaar tafereel, denk ik zo. Menigeen kan erover meepraten, hoe een erfenis verdeeldheid teweeg kan brengen tussen broers en zussen, tussen neven en nichten. Heel wat verbroken familierelaties gaan terug op geduvel rond een erfenis. Iemand uit de menigte zegt tegen Jezus: ‘meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen’. Maar Jezus heeft geen zin om partij te worden in dit conflict en wijselijk legt hij de bal waar hij hóórt te liggen: ‘wie heeft mij tot rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ zegt hij. Oftewel: je zult er sámen uit moeten komen en als je dat niet lukt, ja, dan zul je naar de rechter moeten of de bemiddeling moeten inroepen van een andere deskundige, een mediator bijvoorbeeld, maar laat mij er alsjeblieft buiten. Ik kan je gelijk geven, of ongelijk, maar wat lost het op? En bovendien: word je nou echt gelukkig van een paar duizend eurootjes meer of minder? Wees toch wijzer… En vervolgens zegt hij: ‘zie erop toe, dat je niet door hebzucht wordt geregeerd. Want al bezit je alles in overvloed, je leven bezit je niet’. En daarna vertelt hij een gelijkenis, een leerverhaal, over een man die alles in overvloed had – zozeer dat hij ruimte tekort kwam om het op te slaan – maar toen het moment kwam om ervan te genieten, overleed hij plotseling.

De hoofdpersoon in het verhaal is een rijke herenboer. Het is hem de afgelopen jaren nogal voor de wind gegaan. De opbrengst van de oogst is dermate overvloedig geweest dat hij moet denken over uitbreiding van zijn opslagruimte: grotere schuren om alles te kunnen bergen. En terwijl hij daarover nadenkt, realiseert hij zich dat dit ook een mooi moment zou kunnen zijn om ermee te stoppen. Hij heeft z’n schaapjes inmiddels wel op het droge. Over de toekomst hoeft hij zich geen zorgen meer te maken. Er is voorraad genoeg. En hij neemt het besluit: ik stop ermee, ik ga het er nu eens een keer echt van nemen, leuke dingen doen, een beetje genieten… Een verstandig man, ben je geneigd te denken. Hij heeft gezwoegd en gespaard, aan de toekomst gedacht… En nu is het moment gekomen om te gaan rentenieren, de vruchten te plukken van wat hij met eigen handen door de jaren heen heeft opgebouwd. Een respectabel man, niets op aan te merken…

Maar dan neemt het verhaal ineens een wending. ‘Dwaas!’, zegt God tegen de man, ‘nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. En al die voorraden die je hebt aangelegd, voor wie zullen ze zijn…?’ Daar ligt hij nu, de rijke herenboer, al zijn schuren vol en niet één dag is hem overgebleven om ervan te genieten. Met één haal wordt een dikke streep gehaald door al zijn keurige calculaties en berekeningen. Een tragisch sterfgeval, daar loopt het op uit. Maar waarom? Waarom vertelt Jezus dit verhaal zo, dat het op deze manier afloopt?

Het antwoord op die vraag is waarschijnlijk te vinden in de waarschuwing van Jezus tegen de hebzucht, die aan deze gelijkenis voorafgaat, en waaraan hij toevoegde: ‘al bezit je alles in overvloed, je leven bezit je niet’. De hoofdpersoon uit deze gelijkenis denkt over zijn leven te kunnen beschikken zoals hij over zijn goederen beschikt. En dat is dwaas, zegt Jezus. Je hebt als mens maar tot op zekere hoogte de beschikking over je leven – het is geleend goed, dat straks weer door de rechtmatige eigenaar zal worden opgeëist. ‘Niemand weet wat leven is – alleen dat het gegeven is en dat van dit geheimenis God het begin en einde is’, zegt ergens een dichter. En zo is het maar net…

De man uit deze gelijkenis is het prototype van de mens die geen oog heeft voor het mysterie en alles naar zijn hand meent te kunnen zetten, de mens die zelf wikt en beschikt. Wij horen hem in dit korte gedeelte zelfs zes keer ‘ik’ zeggen en vier keer ‘mijn’. Buiten hemzelf is er niets of niemand waar hij verantwoording aan verschuldigd is. Hij leeft in zijn materiële werkelijkheid en staat er geen ogenblik bij stil dat als het er op aankomt, hij geen korrel graan kan laten groeien. De overvloedige oogsten, jaar in jaar uit, worden hem door Gods genade om niet geschonken, maar het komt niet één keer bij hem op om daar een teken van dankbaarheid tegenover te stellen. Hij ziet alles als vanzelfsprekend. Het wonder ontgaat hem. In al zijn rijkdom is de man ontzettend arm – iets, dat zich in onze moderne welvaartsmaatschappij inmiddels tot een collectieve neurose heeft ontwikkeld. Wij hebben alles – of we ménen op alles recht te hebben, wij kunnen alles – of we ménen alles te kunnen, wij weten alles – of we ménen alles te weten, maar ondertussen zijn we in geestelijke zin ongelukkiger dan ooit, want we verwaarlozen onze ziel. Het is tekenend voor ons huidige levensbesef dat zelfs de nieuwe Bijbelvertaling het woordje ‘ziel’ uit dit verhaal weet weg te werken. Letterlijk staat er: ‘dan zal ik tot mijn ziel zeggen: ziel, jij hebt een massa goederen liggen voor vele jaren’ en: ‘deze nacht nog komt men je ziel opeisen’. Maar de nieuwe Bijbelvertaling heeft: ‘dan zal ik tegen mezelf zeggen: je hebt veel goederen in voorraad’ en: ‘nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd’.

Misschien is dat ook wel wat ik soms tegen de nieuwe Bijbelvertaling heb: dat ‘ie zo zielloos is, zo plat, zo eendimensionaal. Natuurlijk mogen de vertalers het Griekse woordje psyche met ‘leven’ vertalen – op zich is dat een goede vertaling – maar het mist de innerlijke dialoog waarin God, als de oorsprong en uiteindelijke bestemming van ons leven, zich zou kunnen melden. En daar is het Jezus bij het vertellen van deze gelijkenis nu juist om begonnen: ‘zo gaat het met iemand die voor zichzelf schatten verzamelt, maar geen schat heeft bij God’, zegt hij. Veel belangrijker dan al die materiële zaken en de stand van de economie waar wij ons zo druk om maken, is de verzorging van onze ziel, ons geestelijk leven, want pas als wij dát op orde hebben zijn wij in staat onze ziel echt ergens in te investeren. En pas dan vindt een mens de ware vrede en vervulling waar hij naar op zoek is. Eerder niet. Dan kun je wel een ‘soort van geluk’ vinden, een afgeleide vorm, maar diep van binnen blijf je onvervuld en al snel jaag je dan weer achter iets anders aan, in de hoop dat dát het dan zal zijn, maar steeds stelt het je weer teleur omdat het niet die vrede en vervulling biedt waar je echt naar op zoek bent. Eeuwen eerder noemde de wijze Prediker, die in materiële zin niets te kort kwam, deze levensstijl al ‘lucht en het najagen van wind’. Je ziel verlangt iets anders dan de vluchtige wensen van je ego.

‘Verzamel je schatten bij God. Word rijk in God’. Verleg het accent in je leven, zegt Jezus. Vergeet de binnenkant van je leven niet. Er is niets tegen om te genieten van het leven en al het goede dankbaar te gebruiken. En als een mens door hard werken in staat is zijn huis en haard goed in te richten is ook daar niets mis mee. Maar het gaat fout als dat het enige wordt waar je je op richt. Je mist het doel van je leven als je aan die jacht naar het materiële verslaafd raakt, want je verwaarloost je ziel. Ik moet denken aan een voorval van lang geleden. Ik zat in de trein – een geliefde vrijetijdsbesteding van me, zoals u weet – en tegenover mij kwam zo’n ‘rijke dwaas’ te zitten: keurig in het pak, diplomatenkoffertje van een niet al te goedkoop merk dat hij omstandig in het net legde, een uitstraling van ‘wie doet mij wat’. En zoals je dat soms wel eens hebt, dat je deelgenoot wordt van een gesprek waar je helemaal geen zin in hebt, zo overkwam mij dat doen. De man begon te praten en of ik nu wel of niet geïnteresseerd was, dat deed er niet toe. Hij deed zijn verhaal over wat er in zijn ogen allemaal niet deugde in de hogere regionen van onze maatschappij – regionen waar hij onmiskenbaar deel van uitmaakte. Op een gegeven moment vertelde hij van ene meneer Tabak, een handelaar uit vroeger tijd die veel had verdiend en op wiens kosten na zijn dood voor zes miljoen een parkeergarage werd gebouwd. ‘Het is weggegooid geld’, zei de man, want die garage mag niet gebruikt worden. Die staat op de verkeerde plek. Maar ja, zo gaat dat, meneer, hou ouwer je wordt hoe meer je er achter komt dat alles waar je je voor hebt ingezet, alles wat je hebt opgebouwd, de moeite niet waard is geweest, je schiet er niks mee op, je eindigt toch bij nul. En wist je dat nou maar eerder, dan kon je d’r nog wat aan doen, maar op je zestigste is het te laat…’

Arme man… Ik kreeg bijna medelijden met hem. ‘Wat baat het een mens dat hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel’ – die woorden van Jezus schoten mij te binnen. Wat een treurigheid als je aan het eind van je carrière zo op je leven terug moet kijken. Een goed gestoffeerde buitenkant, maar een treurige leegte van binnen. Dat is het gevaar van het uitsluitend verzamelen van schatten voor jezelf. Je ziel komt tekort. Dat is waar het op aankomt. Een mens hoeft zich de geneugten van het aardse leven heus niet te ontzeggen, maar het is kortzichtig als dat het enige is waar je op gericht bent. Voor Jezus gaat het om een omarmen van het leven waarbij je je ziel, je binnenkant, niet vergeet. Dan maken de woorden ‘ik’ en ‘mijn’ die in deze gelijkenis zo vaak voorkomen plaats voor ‘God’. En als God jouw leven vult, als God jouw leven rijk maakt, dan vind je een vervulling, een rijkdom, die je vanuit die ik-gerichtheid nooit zou hebben gevonden. Dan vind je waar je al zo lang naar op zoek was, maar op een compleet andere manier.

Jezus heeft laten zien wat dat inhoudt: rijk zijn in God. Vol overgave gaf hij zich aan het leven en zette hij zich ervoor in dat ook anderen zich volop aan het leven konden overgeven. Jezus was het tegendeel van een kluizenaar, hij genoot van de goede dingen van het leven en hij gunde dat iedereen. Maar tegelijk wees hij met klem op het gevaar van de rijkdom en hoe decadent en mensonterend rijkdom kan zijn, omdat je steeds meer gericht bent op de buitenkant en de binnenkant vergeet. En ondertussen isoleer je je ook steeds meer van de mensen om je heen, want die heb je toch niet meer nodig… Jezus maakt ons duidelijk dat wij er verstandig aan doen de basis voor ons leven niet uitsluitend te zoeken in de buitenkant, het materiële.

Er is een manier van leven, een kwaliteit van leven, die wij ‘eeuwig leven’ noemen. En die manier van leven begint niet bij wat wij vanuit onszelf allemaal zouden willen, het bevredigen van onze eigen behoefte, met handen die naar zich toe graaien en bonus op bonus stapelen – nee, die manier van leven begint met ons open te stellen voor wat van Godswege allemaal op ons toekomt aan goedheid, aan schoonheid, maar ook de roep om aandacht en zorg, met handen dus die zich openen. Het brengt een andere rijkdom met zich mee, maar wél een vervulling die dieper gaat dan al het andere. Het brengt je in contact met het echte leven, dat waarnaar je ziel verlangt – een leven dat geborgen is in God, je oorsprong en je bestemming, de diepste grond van je bestaan. Iets mooiers bestaat er niet.

Amen.