21 juli

Schriftlezing: Lucas 10: 38-42

Gemeente!

Het is zo’n herkenbaar tafereel. Jezus is door Martha uitgenodigd om bij haar te komen logeren en hij heeft de uitnodiging aangenomen. En Martha, vereerd door dit hoge bezoek, gaat helemaal op in haar rol als gastvrouw. Ze slaat onmiddellijk aan het kokkerellen en bakken en vliegt ondertussen heen en weer tussen de keuken en de woonkamer om haar gast te laven met koele dranken en lekkere hapjes. Martha is de lieve, hartelijke gastvrouw, het type dat het liefst maar in de weer is om het een ander naar de zin te maken. En daar tegenover staat – of beter gezegd – daar tegenover zít haar zus Maria te zitten aan de voeten van Jezus. Blijkbaar heeft zij er maling aan dat haar zus zich het vuur uit de schoenen loopt, terwijl zij zit te genieten van de wijze woorden van Jezus. Op een gegeven moment wordt het Martha teveel, maar in plaats van dat ze Maria aanspreekt doet ze haar beklag bij Jezus: ‘rabbi, zegt u er nu eens wat van!’ – alsof ze niet alleen boos is op haar zus, maar ook op Jezus, die dit allemaal maar laat gebeuren.

Als je dit tafereel zo gadeslaat, denk ik dat voor de meesten van ons de sympathie haast vanzelf uitgaat naar Martha. Je ziet haar bezig om alles in goede banen te leiden en het is heel begrijpelijk dat ze moeite heeft met de passieve opstelling van haar zus. Logisch dat ze zich daaraan ergert en dat laat blijken! Je hoeft niet alles te pikken. Maar het merkwaardige is dat Jezus Martha niet steunt in haar ergernis. Hij reageert niet zo van: ‘je hebt gelijk, ze laat ook wel heel gemakkelijk alles aan jou over, maar je hebt het ondanks dat wel prima voor elkaar’ – nee, Jezus antwoordt heel tegendraads: ‘Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over van alles en nog wat, maar weet je, één ding is genoeg – en dat heeft Maria uitgekozen…’

Het komt nogal vreemd op ons over. Zoiets verwacht je niet van Jezus, dat hij iemand die zich zo inzet toch min of meer laat vallen en het opneemt voor iemand die een ander met het grootste gemak laat draven en zelf geen vinger uitsteekt. Voor ons gevoel is het niet rechtvaardig wat Jezus hier doet. Want dienen, je inzetten voor anderen, dat is toch wat Jezus van ons vraagt, dat is toch zeker goed christelijk? Zo hebben wij dat toch van Jezus zelf geleerd…?

Je komt in de kerk heel wat dravende Martha’s tegen – mensen, mannen en vrouwen die er op uit zijn God te dienen en zich de benen uit het lijf lopen om zich in te zetten voor de goede zaak. Nooit doe je tevergeefs een beroep op ze. Altijd zijn ze bereid om de armen uit de mouwen te steken, want er is zoveel werk dat gedaan moet worden. En laten we eerlijk zijn, gemeente, daar is niets mis mee. Dat bezig zijn voor de goede zaak geeft je leven zin en inhoud, anderen knappen ervan op, zelf word je er door verrijkt, maar er schuilt ook een gevaar in. Je kunt namelijk zo opgaan in al dat draven dat je niet alleen jezelf voorbij holt, maar ook Jezus en in het verlengde daarvan God zelf, die je denkt te dienen. En soms is dat zelfs heimelijk de bedoeling van al dat draven: dat je niet stil hoeft te staan bij wat er diep van binnen bij jezelf aan ongemakkelijke vragen en onverwerkte emoties en gevoelens verborgen ligt. Soms dient ons draven niet zozeer de goede zaak, maar meer de instandhouding van ons eigen wankele evenwicht dat juist door stilstaan uit balans kan raken. Door bezig te blijven kun je dat voorkomen, tot het moment komt dat je door een ‘burn out’ geveld wordt omdat je niet langer voor jezelf op de loop kunt blijven…

Ik vermoed dat Jezus die houding bij Martha bespeurt. Ze was ‘in beslag genomen’ door het vele dienen, staat er in de tekst. En dat is nu precies het euvel. Haar grondhouding is verkeerd. Niet het dienen als zodanig wordt door Jezus onder kritiek gesteld, maar dat er geen ruimte meer overblijft voor iets anders. Ze is zo verkrampt, dat ze het zichzelf niet toestaat om zich te laten bedienen. Wat Martha mist, is het vermogen om stil te durven staan en je over te geven aan het moment. Je kunt je soms zo verantwoordelijk voelen voor een ander, dat die ander de kans niet krijgt om te laten zien wat hij of zij zélf kan bijdragen aan het geheel. Ouders bijvoorbeeld kunnen zo bezorgd zijn om hun kinderen dat ze teveel voor ze regelen, ze teveel verantwoordelijkheid uit handen nemen, en daarmee een gezonde ontwikkeling juist in de weg staan. Zo mist Martha het vertrouwen om dingen uit handen te kunnen geven en niet het gevoel te hebben dat alles van haar afhangt en van niemand anders.

Wat zou er bijvoorbeeld gebeurd zijn, zo vraag ik mij af, als Martha de innerlijke vrijheid had gehad om gewoon bij Maria en Jezus te gaan zitten en rustig af te wachten wat er zich vervolgens zou afspelen? Grote kans dat wat Martha in eerste instantie als haar zorg had gezien nu een gezamenlijke zorg zou worden. Gezeten naast haar zus had ze op een gegeven moment langs haar neus weg kunnen vragen: ‘hoe laat zullen wij eigenlijk eten en hoe pakken we dat aan?’ En als iemand van tevoren iets zou willen eten of drinken, was dat bij een dergelijke uitgangssituatie niet direct al op de schouders van Martha terechtgekomen. Maar door van het begin af aan de zorg op zich te nemen, creëert zij zelf de situatie waar zij zich later aan ergert. En wat zou je haar toch gúnnen dat ze daar wat vrijer in wordt, dat ze het zichzelf kan toestaan om de boel de boel te laten en te ontdekken dat het dan ook wel goed komt.

Martha is zo verkrampt in haar bezig willen zijn dat ze niet meer kan ontvangen. En in die levenshouding loopt een mens onherroepelijk vast. Naar mijn mening is dát de reden dat Jezus het voor Maria opneemt. In haar herkent Jezus de openheid voor wat zonder jouw toedoen allemaal op je afkomt aan goedheid, vertrouwen en welwillendheid – de openheid voor het mysterie, waarin je de aanwezigheid en de betrokkenheid van de Eeuwige bij jouw bestaan mag ervaren. Maria zit aan de voeten van Jezus. Zij stelt zich open voor de wijsheid en de levenskracht die van hem uitgaan. Het woord dat hier in het Grieks gebruikt wordt, is hetzelfde dat Lucas gebruikt voor het zitten van Paulus aan de voeten van zijn leermeester Gamaliël. Het typeert de omgang tussen leraar en leerling en laat ook zien dat vrouwen voor Jezus volstrekt gelijkwaardig zijn aan mannen. Ook zij delen in de kennis die Jezus overdraagt en die mensen in de ware vrijheid stelt – het kind van God zijn, ten diepste bemind en voor het geluk geschapen.

Zonder die openheid voor het mysterie, het stil worden voor God, nadert een mens een keer het einde van zijn krachten. Maar, zoals Jesaja zegt, ‘wie de Heer verwachten ontvangen nieuwe kracht’, en dát weten alle Maria’s in de kerk – mannen en vrouwen die niet alleen maar druk doenerig lopen te draven, maar die de kunst verstaan om regelmatig terug te koppelen van actie naar bezinning, mensen die stil kunnen zijn, die reflecteren op hun bestaan aan de hand van Jezus’ woorden en durven bidden om te horen wat God hen in het hier en nu te zeggen heeft. Begrijp me goed, natuurlijk is dit geen oproep tot passiviteit als hoogste ideaal van het christelijk geloof, maar wél een dringende uitnodiging om telkens weer te beginnen met het zitten aan de voeten van Jezus en hem de gelegenheid geven ons van dienst te zijn met zijn adviezen. Van daaruit zullen we dan ongetwijfeld weer geprikkeld worden tot activiteit, maar de kans is groot dat we het dan ánders gaan aanpakken. Misschien gaan we zelfs wel iets heel anders aanpakken…! Als we ons eerst maar in kerkgang, bijbellezen, gebed, door het meedoen aan een of andere kring ter verdieping van ons geloof, richten op de spiritualiteit als het enig nodige.

Wanneer God in ons leven centraal komt te staan, veranderen de accenten. Dan krijgt ons leven vleugels doordat we andere prioriteiten leren te stellen. Lucas styleert dat centraal stellen van God in dit bijbelgedeelte zelfs heel mooi door het woord ‘Heer’ precies in het midden van de Griekse tekst te plaatsen. De basis van je doen en laten moet niet gelegen zijn in de troebele bron van je eigen wensen en strevingen, waarin je maar al te vaak je tekorten probeert aan te vullen, maar in de inspiratie die je van Godswege ontvangt. Dat moet centraal staan. Zo beantwoordt Jezus hier de vraag van Martha door haar naam twee keer te noemen: ‘Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over van alles en nog wat, maar weet je, één ding is genoeg. Meer hoeft niet’. Martha, Martha! En dat is niet bedoeld als een vermaning met een opgeheven vingertje, maar – typisch joods – een in liefde terugroepen naar de weg die God je wijst. De rabbijnen wijzen erop dat dit verschijnsel op vier cruciale momenten voorkomt in het leven van Abraham, van Jacob, Mozes en Samuël. En zo ook hier bij Martha. Zij wordt door Jezus geroepen bij haar diepste naam: in Godsnaam, Martha, kom nu toch tot je ware bestemming. Voel je vrij, als kind van God.

Wij moeten oppassen om Martha en Maria tegen elkaar uit te spelen. Het is beslist niet Jezus’ bedoeling om het dienen tegenover het luisteren te plaatsen. Het denken gaat niet boven het doen. Wie Jezus goed begrepen heeft, vindt vanzelf wel iets dat vraagt om zijn of haar inzet. Dat is het punt niet. Maar waar het Jezus om gaat, is de grondhouding: zet je je in in vrijheid, of is het juist je onvrijheid die je drijft om je in te zetten? Want dat maakt nogal wat verschil. En het bepaalt ook of je het op de lange duur volhoudt of dat je gefrustreerd raakt door de tegenslagen die je ongetwijfeld ook zult ontmoeten. Als Martha innerlijk vrijer was geweest en zich anders had opgesteld, had Maria haar vast en zeker een handje geholpen. Dan had ze zich niet zo geërgerd hoeven uit te laten. Het geheim van het dienen zit erin dat wij ons bewust zijn van onze motieven om ons in te zetten en dat wij er steeds weer de tijd voor nemen om ons te laven aan wat God ons zomaar geeft. Elke dag opnieuw. Wie daar oog voor krijgt, zal zich steeds opnieuw vol overgave beschikbaar stellen voor waar God hem of haar voor nodig heeft en de ware vervulling vinden.

Amen.